Natuurgebieden zijn terreinen waar de natuur de hoofdrol speelt, ze zijn er speciaal voor de natuur. Zonder een uitputtende opsomming te geven van die terreinen, gaat deze pagina over specifiek Zeeuwse natuur bij de terreinbeheerders Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en Het Zeeuwse Landschap.
Het Zeeuwse aspect van de terreinen hangt samen met de invloed van het zout en de zee op het landschap van polders en dijken. Zeer belangrijk is ook het buitendijkse, dat niet alleen uit een groot water bestaat, maar ook platen, slikken en schorren bevat.
De duinen langs de Noordzee en de oude zandgronden langs de grens met België zijn onderdelen van natuur met een veel omvangrijkere verspreiding en zijn niet specifiek Zeeuws.
De inpolderingen hebben prachtige natuurterreinen opgeleverd, zoals de bloemdijken en restanten van voormalige zeearmen: kreekresten. In de laaggelegen oude eilandkernen zijn hobbelige graslanden als weidevogel- en ganzenreservaat bewaard. De bloemdijken van het oudere polderland zijn een laatste vluchtplaats voor bijzondere planten, waarvan Ruige anjer en Wollige distel de ware troetelsoorten zijn. De kreekresten zijn vogelrijke gebieden. Ze zijn van belang voor water- en moerasvogels, zoals Kiekendief, Roerdomp en Kuifeend.
De directe invloed van de zee, of de dreiging ervan, heeft sporen nagelaten in de vorm van doorbraakwielen, inlagen en karrevelden. Het zijn moeras- en waterrijke gebieden. Vooral de inlagen en karrevelden tonen een duidelijk brak karakter. Gelegen langs de zeedijk sijpelt het zeewater ondergronds naar binnen als kwelwater. Brak water heeft zijn eigen dieren- en plantenwereld, een oecosysteem dat met het huidige waterbeheer door de waterschappen sterk wordt bedreigd. In het brakke moeras staan Zeebies en Heemst, terwijl de brakke graslanden zich tooien met Zeekraal en Zeeaster.
De natuurgebieden buitendijks vormen de parels van de Zeeuwse natuur. Het Zwin en het Verdronken land van Saeftinge zijn bekende voorbeelden, mede door de voorzieningen en de georganiseerde activiteiten voor het natuurpubliek. De hoger gelegen buitendijkse gebieden zijn een domein voor de vele planten van 'zoutvegetaties', met Zeekraal, Zeealsem en Lamsoor als dominante soorten. De lage slikken en platen zijn de voedselgebieden van meeuwen, ganzen, eenden en steltlopers. De hoge zandplaten dienen als broedplaats voor zeevogels. De Hooge Platen in de Westerschelde is een bekende broedplaats van de Dwergstern.
Typisch Zeeuwse 'nieuwe natuur' is te vinden in de afgedamde zeearmen en binnendijks langs de beide Scheldes. De afdammingen zorgden voor permanent droge gronden door het wegvallen van het getij. Hierop is natuur ontwikkeld, die door zijn uitgestrektheid en/of ligging een eigen karakter heeft.
Binnendijks ligt of komt er nieuwe natuur in het kader van het Beleidsplan Natuurherstel Westerschelde en als uitwerking van het Plan Tureluur. Het gaat met name om het terugbrengen van natte en mogelijk brakke natuur van het open landschap.