Landbouwbeleid
Wereldwijd en in West-Europees verband worden afspraken gemaakt over het beleid ten aanzien van de landbouw. Dit internationale beleid komt vooral ten goede aan moderne, grootschalige landbouw.
De landbouw is altijd een van de belangrijkste onderwerpen, zoniet hét belangrijkste, in de verschillende ronden van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). De WTO bestaat uit een groot aantal landen die wederzijds afspraken maken over de onderlinge handel. Het gaat er vooral om óf, en in hoeverre rijke landen bereid zijn de steun aan hun boeren te verminderen, exportsubsidies en importheffingen te verlagen en ontwikkelingslanden meer toegang tot hun markten te geven. Tot nu toe is er binnen de WTO nooit veel oog geweest voor de belangen van de boeren in de arme landen, net zo min als voor die van de kleinere boeren in de rijke landen. De belangen van de grote (multinationale) ondernemingen prevaleerden. De gevolgen zijn dat de Westerse landbouw steeds grootschaliger wordt en dat de kleine boeren in de Derde Wereld in toenemende mate gewassen gaan telen voor de Westerse markt (in plaats van producten voor de lokale markt). Een ander gevolg is de toenemende invloed van de grote multinationals, waardoor de ‘eigenheid’van de verschillende landen en gebieden steeds kleiner wordt. Deze globalisering of mondialisering stuit velen tegen de borst. Elke WTO-conferentie, waar ook ter wereld, gaat vergezeld van massale demonstraties van zogenoemde antiglobalisten. Een ding is duidelijk: aan een duurzame ontwikkeling heeft de WTO tot nog toe geen enkele bijdrage geleverd.
De West-Europese boeren hebben daarnaast te maken met het gezamenlijke landbouwbeleid (GLB) zoals de landen van de EU dat bepalen. Dit begon na de Tweede Wereldoorlog . In die tijd was het beleid uitsluitend gericht op het vergroten van de productie om de groeiende bevolking te kunnen voeden. Zoals alom bekend leidde dit in de afgelopen decennia tot grote overschotten. In veel gevallen kon men alleen van deze overschotten (bij o.m. vlees, boter en graan) af komen door ze zwaar gesubsidieerd af te zetten op de wereldmarkt. De EU paste het verschil bij tussen de hoge prijzen die binnen de EU gehanteerd worden en de veel lagere wereldmarktprijzen. Het gevolg van deze dumpingspraktijken was dat de producten uit de Derde Wereld van de markt gedrukt werden. Het dumpen van overschotten was destructief voor de ontwikkeling van de landbouw in de Derde Wereld.
Door verlaging van de prijssteun voor bepaalde landbouwproducten heeft de EU de overschottenproblematiek grotendeels opgelost. In het medio 2003 gesloten akkoord (de Mid Term Review) is helemaal afgezien van prijssteun. In de toekomst ontvangen de Europese boeren een vast bedrag aan ondersteuning, gekoppeld aan het bedrijf. Naar men hoopt neemt dit de motivatie bij boeren weg om hoge producties aan steungewassen te telen. Desondanks worden nog steeds overschotten uit het Westen op de wereldmarkt gedumpt, tegen prijzen waar de lokale boeren in de Derde Wereld niet tegen kunnen produceren.
In de Mid Term Review krijgen boeren een aantal voorwaarden opgelegd op het gebied van milieu, dierenwelzijn en voedselveiligheid. Het subsidiebeleid van de EU heeft hiermee een eerste kleine aanzet gegeven richting duurzame landbouw.
Tenslotte heeft ook het beleid van de landelijke, provinciale en gemeentelijke overheid invloed op de manier waarop boeren hun brood moeten verdienen. De Nederlandse regelgeving is vooral heel sterk gericht op de bescherming van het milieu en de instandhouding van een aantrekkelijk agrarisch cultuurlandschap. Dit beleid is op een aantal punten dermate ambitieus dat het door een deel van de boeren als knellend wordt ervaren. Sommigen stellen dat het milieubeleid hierdoor zijn doel dreigt voorbij te schieten, omdat alleen een concurrerende landbouw daadwerkelijk duurzaam kan zijn.
|