Wonen en Werken
Voor duurzaam wonen en werken moeten in de eerste plaats woningen en kantoren op een duurzame manier gebouwd zijn. Dat wil zeggen dat het energieverbruik van een gebouw tot een minimum wordt beperkt of zelfs neutraal is. Woningen, kantoren en andere gebouwen zijn namelijk verantwoordelijk voor ongeveer een derde deel van de Nederlandse CO2-uitstoot. Goede isolatie en het gebruik van bijvoorbeeld zonnepanelen of warmtepompen spelen hierbij een rol.
Daarnaast wordt de afvalstroom vanuit een gebouw tot een minimum beperkt. Voorbeelden zijn het gebruik van helofytenfilters voor de zuivering van afvalwater. Tenslotte wordt bij duurzaam bouwen gebruik gemaakt van duurzame materialen. Ook het hergebruik van bouwmaterialen en grondstoffen is belangrijk bij deze manier van bouwen. Duurzaam bouwen is momenteel volop in ontwikkeling en er lopen talloze onderzoeksprojecten op dit gebied.
Een duurzaam gebouwde woning alleen is echter niet voldoende. Ook de manier van wonen of werken die in deze gebouwen plaatsvindt bepaalt voor een groot deel, hoe duurzaam en milieuvriendelijk de woning is. Dat varieert van heel eenvoudige gewoontes, zoals het licht uitdoen als je weggaat of het deksel op de pan houden als je kookt, tot ecologisch tuinieren, de aanschaf van energiezuinige apparaten en het scheiden van huishoudelijk afval.
Aandacht voor duurzaamheid op de werkplek is zo mogelijk nog belangrijker dan thuis. Uit recent onderzoek (2004) van de Technische Universiteit Delft blijkt dat kantoren verantwoordelijk zijn voor circa tachtig procent van het energieverbuik van gebouwen. Paradoxaal genoeg komt dat gedeeltelijk door de goede isolatie van moderne kantoorgebouwen, waardoor in de zomer veel energie gaat zitten in de koeling. Dit in combinatie met een toename van het computergebruik heeft ertoe geleid dat kantoren sinds 1990 niet energiezuiniger zijn geworden.
|